Dietrich Bonhoeffer
Theoloog - Christen - Tijdgenoot
Waarom Bonhoeffer blijft boeien
Friesch Dagblad zaterdag 9 augustus 2003
Sommige schrijvers blijven de aandacht trekken. Ook lang na hun dood. Kennelijk omdat ze veel te zeggen hadden. En nog hebben. Dit geldt zeker van de Duitse theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer. Zijn brieven een aantekeningen uit de gevangenis zijn onlangs opnieuw verschenen. Waarom boeit Bonhoeffer nog altijd en worden zijn geschriften nog steeds herdrukt? Tijd voor een impressie.

Levensloop
Tot de bijzonderheden van Dietrich Bonhoeffer behoort allereerst zijn levensloop. Hij werd geboren in 1906, in een gezin van acht kinderen. Zijn vader was een bekend psychiater. Zijn moeder stamde uit een oude adellijke familie. Hij werd liberaal opgevoed, maar koos toch voor de theologie. Op reis in Rome had hij de wereldkerk leren kennen, waarvan hij grote verwachtingen had. Voor de enkeling, voor het Duitse volk en voor gemeenschap van volkeren. Hij werkte als vicaris in Berlijn en Barcelona en als predikant in Londen. Ook maakte hij in Amerika kennis met de vrije kerken en de sociale kant van de kerk. Hij voelde zich een leerling van Karl Barth en was vanaf het begin betrokken bij het kerkelijke verzet tegen het nationaal-socialisme. Uit deze periode stammen zijn bekende Navolging en Leven met elkaar. Wanneer de oorlog in alle hevigheid uitbarst, raakt Bonhoeffer betrokken bij de samenzwering tegen Hitler. Begin april 1943 wordt hij gearresteerd. De laatste twee jaar van zijn leven brengt hij door in gevangenschap. Kort voor de bevrijding, op 9 april 1945, wordt hij door de nazi’s omgebracht.

Twee gezichten?
Er wordt wel gezegd dat de theoloog Bonhoeffer twee gezichten heeft, namelijk een orthodox-luthers en een modern-liberaal gezicht. Feitelijk zijn er drie perioden te onderscheiden: de academische beginjaren, de praktisch-christelijke middenjaren van Bonhoeffer en zijn laatste levensperiode, waarin hij als modern ‘tijdgenoot’ voor de dag treedt. Het zijn met name zijn geschriften uit deze laatste periode, zijn postuum verschenen Ethiek en Verzet en overgave, die hem zijn wereldwijd bekend gemaakt hebben. Vooral de brieven hebben een ongekende werking gehad. Waarom? Natuurlijk speelt hierbij de spannende context van Hitler-Duitsland een rol. Maar het zijn vooral de woorden en gedachten zelf die Bonhoeffer in de gevangenis opschrijft en oppert, die indruk maakten. Het zijn geen systematisch uitgewerkte stukken, maar authentieke, persoonlijke documenten. Ze hebben een torsokarakter. Maar juist zo dagen ze elke nieuwe generatie uit. Tot rekenschap en verantwoording. En tot het zoeken naar antwoorden op de vragen van de eigen tijd en identiteit. Daarbij speelt de vraag naar de ‘ware’ Bonhoeffer op de achtergrond mee. Het belangrijkste is niet de interne vraag: hoe de dingen bij Bonhoeffer liggen, maar de vraag naar de eigen tijd en situatie. Wie is Jezus Christus voor ons vandaag? Dat is de vraag van Bonhoeffer. Daarbij is het orthodox genoeg om te stellen: ‘er is naast de wereld toch ook een Ik en Christus’ (brief 19 dec. 1943), en modern genoeg om te zeggen: het gaat niet om christelijke apologetiek. De werkelijke vraag is die van ‘Christus en de mondige wereld’ (8 juni 1944).

Leven zonder God
Wat bedoelt Bonhoeffer wanneer hij over de ‘mondigheid’ van de wereld spreekt, die wij serieus moeten nemen? Het antwoord op deze vraag heeft te maken met zijn visie op de ontwikkeling van de West-Europese geschiedenis. Daarin ziet hij in de 13e eeuw een kentering optreden. In die tijd kraakt het clericale juk en komt de mens in zijn individualiteit tevoorschijn. Kunstenaars beginnen hun handtekening na te laten en de burgerij wordt steeds belangrijker. Het mondt allemaal uit in Renaissance en Humanisme, in Verlichting en natuurwetenschap. Kortom, in het steeds meer en steeds verder overboord zetten (op alle terreinen van het leven) van ‘de werkhypothese G-o-d’. Deze ontwikkeling, zegt Bonhoeffer, moet de kerk niet bestrijden, maar beamen! Het is een kwestie van intellectuele redelijkheid om ook op het gebied van de godsdienst en het godsdienstig leven te doen ‘alsof God niet bestaat’ (etsi Deus non daretur). Wij moeten hem er in de kerk niet plotseling overal bijhalen, om de gaten op te vullen. Het christendom biedt geen ‘oplossingen’ voor de problemen van het moderne en menselijke leven. Geloof heeft nooit met ‘vervanging’ te maken, met sublimatie en retouchering. Menselijk verdriet is echt verdriet en aardse vreugde echte vreugde. De vrienden van Job hebben ongelijk wanneer ze zijn ellende ‘religieus’ willen duiden en bijbelboeken als Hooglied en Ruth behoren voluit tot de canon! In zijn brief van 8 juli 1944 zegt Bonhoeffer: het godsdienstige is niet het ‘persoonlijke’ of private ‘nog’, bevochten (zoals het Piëtisme wil) op de mondige godsverdringing. Het gaat er niet om een ‘religieuze provincie’ af te bakenen. Dat is de grondfout van de religie: om het godsdienstige tot iets partieels te maken, terwijl het in de Bijbel steeds over de gehele mens en heel het leven voor Gods aangezicht gaat. Samengevat: ‘Jezus roept ons niet tot een nieuwe religie, maar tot het leven’ (brief 16 juli 1944).

Politiek verzet?
In de politieke situatie was het Bonhoeffer al vroeg duidelijk wat het Derde Rijk, dat ook in kringen van de Belijdende Kerk (na de vernedering van Versailles) op enthousiasme kon rekenen, weinig goeds voor de joden in petto had. Hitler was er in de beginjaren op gespitst om geen verkeerde indruk op de Engelse en Franse regering te maken. Hij opereerde daarom behoedzaam, ook tegenover de kerken. Dat maakte het moeilijk om in verzet te komen. Toen de joden in Duitsland het leven daadwerkelijk zuur gemaakt werd, en ook de dominees van joodse afkomst gesommeerd werd hun ambt neer te leggen, werd hiertegen wel openlijk geageerd. Toch heeft (ook) de Belijdende Kerk het niet openlijk voor het lot van de joden opgenomen. Bonhoeffer was hierover zeer teleurgesteld. Hij was een van de weinigen die zei dat de taak van de kerk verder strekte dan de overheid alleen om verantwoording van haar daden te vragen. Volgens Bonhoeffer had de kerk ook te zorgen voor de slachtoffers. En als het niet anders kon, moest zij in verzet komen en ‘de spaak in het wiel steken’. Deze mening vond weinig weerklank. De naam van Bonhoeffer heeft ook nooit op de voorbedelijsten van de Belijdende Kerk gestaan. Was er dan helemaal geen politiek verzet vanuit de Belijdende Kerk? Deze suggestie draagt G. Harick aan (FD 7 juni): dat de Belijdende Kerk zich slechts tegen de Duitse Christenen en niet tegen Hitler keerde. In de uitvoeringsbepalingen van de synode van Barmen staat inderdaad dat de geestelijke verzorging van de Hilterjugend, de SA en de SS de Belijdende Kerk toekomt. En mensen als Martin Niemöller hebben ook lang grote verwachtingen van de nieuwe Duitse natie gehad, waarbinnen de kerk dan voor het Evangelie zorg had te dragen. Hieruit kan echter niet, zoals Harinck doet, de conclusie getrokken worden dat ‘bij wijze van spreken Hitler nog de Barmer Thesen had kunnen ondertekenen’. De taal van Barmen is kerkelijk. Maar voor de goede verstaander en in de gegeven situatie gaf deze geloofstaal impliciet natuurlijk wel degelijk reden tot een houding van verzet. De Belijdende Kerk heeft zich ook als organisatie, zoals de Duitse Christenen, niet willen laten inkapselen in Hitlers bedoelingen. Ook dat geeft de geloofstaal van Barmen impliciet een politieke strekking. Hetzelfde geldt van de kanselboodschappen, het Memorandum aan Hitler van 1936 en de gebedsliturgie voor de vrede uit 1938, nota bene op het moment dat Hitler Tsjechoslowakije wilde binnenvallen.

Spiritualiteit
Bonhoeffers illegale verzet tegen Hitler, waarin velen hem niet konden volgden, heeft hemzelf uiteindelijk het leven gekost heeft. Wat blijft, ook na zijn dood en na 70 jaar, is het getuigenis van zijn leven en de kracht van zijn spiritualiteit als christen, tijdgenoot en getuige. Zijn spiritualiteit kan benoemd worden als een spiritualiteit van vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid. Bij herhaling zegt Bonhoeffer dat wij ‘heel de weg’ van het aardse leven moeten (leren) gaan in vertrouwen op Gods in Christus uitgesproken Ja over ons leven en over de werkelijkheid van deze wereld. Daarbij weet hij ook zelf ‘in Gods hand en niet in de handen van mensen’ te zijn (brief 22 dec. 1943).
Aanstekelijk zijn ook de passages in Bonhoeffers brieven over de ‘speelruimte’ van de vrijheid, in kunst, opvoeding, vriendschap en spel. Het leven bestaat niet uit plicht en verantwoordelijk alleen. Het bergt ook hilaritas (vrolijkheid) in zich. Men moet, zegt Bonhoeffer met een beroep op Gods barmhartigheid, (ook) de lust en de liefde hebben ‘ins Blaue hinein’ te leven. Wie wil ontkennen dat ‘ook de korenbloem bij de graanakker hoort’ (23 jan. 1944)?
Over het verantwoordelijke leven handelt met name het openingsstuk van Verzet en overgave, waarin Bonhoeffer ‘Na tien jaren’ nadenkt over de jaren vanaf Hitlers machtsgreep (jan. 1933). Het is voor een deel ook een schuldbekentenis over het feit, dat zo veel en zo lang afwachtend werd toegekeken. Terwijl het evangelie van Jezus Christus vrij maakt en moed geeft tot verantwoordelijke daden, van verzet en voor de ander! De Kerk heeft het van geen vreemde, wanneer zij het voor ontheemden en rechtelozen opneemt en zich kritisch verhoudt tot elke autoriteit die de komst van Gods Koninkrijk in de weg staat.
© 2016  Dutch Language Section of The International Bonhoeffer Society