Annette Kay Mosher: Samenvatting van haar dissertatie
Dietrich Bonhoeffers volharding: een onderzoek naar de volharding van een christen tegenover kwaad en onrecht
De hoofdvraag in deze studie is: Hoe volhardde Bonhoeffer in zijn geloof terwijl hij met zoveel kwaad en onrecht in zijn directe omgeving werd geconfronteerd, zelfs in zijn eigen kerk. Waar ontleende Bonhoeffer zijn doorzettingsvermogen aan te midden van zoveel teleurstelling en ontgoocheling in de kerk en in de overheid ten tijde van het Derde Rijk?
Bonhoeffers geloofshouding is object van onderzoek gemaakt in een studie die een bijdrage wil leveren aan de christelijke leer van de geloofsvolharding. De extreme omstandigheden waarin hij zich bevond, maken bij uitstek duidelijk waar het voor een christen dan juist op aankomt. Daartoe wordt vooral zijn opvatting van kwaad en rechtvaardigheid aan een diepteboring onderworpen.
Het proefschrift is uit zes hoofdstukken samengesteld. In hoofdstuk 1 wordt eerst de onderzoeksmethode verantwoord. De nauwkeurige lezing van de teksten zelf van Bonhoeffer staat daarin centraal. Vervolgens wordt de probleemstelling geformuleerd vanuit de Wesleyaanse Methodistische achtergrond van de auteur. In deze traditie wijst gebrek aan liefde op gebrek aan heiligheid. Vandaar de vraag of het door Bonhoeffer geconstateerde gebrek aan liefde in de toenmalige door het christendom getekende cultuur hem ook deed twijfelen aan de heiliging, respectievelijk volharding.
In hoofdstuk 2 wordt een biografische schets van Bonhoeffers leven gegeven met aandacht voor zijn familie en zijn persoonlijkheid. Het doel van deze schets is een indicatie te geven van wat hij belangrijk in zijn leven vond en wat hem dreef tot de theologiestudie. Zo wordt zijn theologische drive duidelijk en wordt ook zijn passie voor de kerk begrijpelijk. Daartoe worden de centrale motieven uit zijn dissertatie Sanctorum Communio blootgelegd. Belangrijk is hier vooral hoe de unio cum Christo een nieuwe, collectieve persoon openbaart, namelijk de kerk. In haar is nu in feite de hele wereld door het werk van Christus verenigd met God.
In hoofdstuk 3 wordt een begin gemaakt met de analyse van Bonhoeffer’s opvatting over het kwaad aan de hand van drie van zijn geschriften, Creation and Fall, Discipleship en Ethics. Uit de analyse van deze drie geschriften blijkt dat Bonhoeffer bijna altijd weigert de oorsprong van het kwaad te duiden. In Creation and Fall interpreteert hij het zondevalverhaal in Genesis en concludeert dat de kennis van goed en kwaad verbreking van de eenheid met God impliceert. Het kennen van God, en niet de kennis van goed en kwaad, is de oplossing wanneer de band met God verbroken is. Discipleship houdt vast aan dezelfde argumentatie op een enkele uitzondering na. In Ethics wordt de kennis van God nog sterker als een alternatief gepresenteerd voor de kennis van goed en kwaad. Op deze wijze traceert Bonhoeffer dus bewust niet de afzonderlijke bronnen van het kwaad, maar komt veeleer tot een meer algemene kenschets van het kwaad door het contrast met de eenheid met God keer op keer krachtig te onderstrepen. Vandaar dat Bonhoeffer zich op een uitzonderlijk consistente manier – met maar een enkele uitzondering – in alle drie genoemde boeken concentreert op het zoeken van deze eenheid.
Hoofdstuk 4 kan min of meer als het spiegelbeeld van hoofdstuk 3 worden beschouwd. Nu staat niet het kwaad centraal, maar juist de rechtvaardigheid. Ook hier analyseert hij niet de verschillende aspecten van het begrip rechtvaardigheid, maar wendt de eenheid met God als het heuristisch principe aan dat elke discussie over de essentie van rechtvaardigheid op het vereiste, hogere (theologische) plan brengt. Zowel in de behandeling van zijn leer van de vier mandaten als ook in zijn bekende onderscheid tussen voorlaatste en laatste zaken is dit de grondtoon.
In hoofdstuk 5 worden de conclusies van het onderzoek naar Bonhoeffers opvattingen over kwaad en rechtvaardigheid in de genoemde drie ‘vroege’ werken in de vorm van drie stellingen verbonden aan de postuum uitgegeven gevangenisbrieven, Letters and Papers from Prison (Widerstand und Ergebung). Ze bevestigen dat Bonhoeffers familiale geborgenheid en opvoeding hem een emotionele en psychische stabiele basis gaven tijdens de periode van verzet en gevangenschap. Verder blijkt ook tijdens zijn gevangenschap de intens beleefde eenheid met God het belangrijkste fundament voor zijn theologie en optreden te zijn. De gevangenisperiode bevestigt de centrale plaats van de kerk in zijn geloofsvolharding. De conclusie is hier dat Bonhoeffer in deze brieven persisteert bij zijn al eerder ingenomen posities.
Hoofdstuk 6 tenslotte staat stil bij de meest saillante punten die in elk afzonderlijk hoofdstuk naar voren kwamen. De centrale conclusie luidt dat de intens beleefde eenheid met God het centrale motief is van Bonhoeffers theologie, waarin alles draait om de kerk in de zin van Christus existerend als gemeenschap en dat de eenheid met God de heuristische sleutel is voor de benadering van het kwaad en van de gerechtigheid.